Ik haat werken. En als ik gewerkt heb vind ik dat ik een beloning verdien
Mama preekt en bekijkt me alsof ik van Venus, of nog erger, van Mars kom. ‘Ben je nu helemaal getikt? Je gaat je geld niet sparen ofwat?’ En ze schudt haar hoofd en kijkt verder naar de kampioenen. Alsof alle hoop die ze koesterde omtrent mijn toekomst, op niets is uitgedraaid. In hoofde mama maakt het niet uit of ik charlatanesse of cassière wordt. ‘t gaat allemaal om spaarzaamheid, bescheidenheid.
Ze verafschuwt mijn levenswijze. Werken, kopen, reizen, blut zijn, terug werken om terug te kunnen kopen. ‘Zo ambitieus’ kokhalst ze, ‘Zo avontuurlijk’. Bah.
Ik weet niet wat ze van mij verwacht, eerlijk gezegd. Moet ik in het huwelijksbootje stappen voor mijn dertigste? En waar zou ik dan naartoe varen? Naar een zilveren, gouden huwelijk? Een huurhuis? Een vent die nooit thuis is maar mij financiert? Naar een vredig werken-eten-tv-slapen-werken-enzovoort bestaan?
Want daar bedank ik vriendelijk voor. Ik wil niet bestaan in de schaduw van andermans dromen, ik wil mijn kinderdromen waarmaken. ‘t Is inderdaad te laat om het nog tot danseres-bij-samson en gert te schoppen, of om ’s werelds beroemdste mode-ontwerpster te worden. En toch wil ik iets betekenen. Ietsje anders zijn dan ‘de rest’, terwijl ‘de rest’ -volgens mij- ook n”t iets anders dan de anderen wil zijn.
Voor zover mijn ambitie. Daarnaast doe ik gewoon waar ik zin in heb, en erger ik mij weleens aan de krappe houding van mijn teerbeminde mama.
-El-
gebrabbel
juli 24, 2009
Het lot van de oudste is niet altijd even makkelijk te dragen.
Niet dat ik gebukt ga onder ‘t immense gewicht, maar toch, maar toch…
Toch verwachten mama en papa ietsje meer van mij dan van de jongere zus. En niet op één enkel gebied hoor, integendeel. ‘t Is gewoon “logisch” dat ik het goed doe op school en dat ik tussendoor nog eventjes dagen van elf-uur-en-half klop in de delhaize om een centje bij te verdienen.
“Ons Eline is een perfectionist hé”
Alsof ik een keuze heb.
Want als ik me niet als een pietje precies gedraag, ben ik ofwel slordig, ofwel dom, ofwel loop ik met mijn hoofd in de wolken te dagdromen. Alle ogen op mij gericht, om toch maar een foutje te kunnen bespeuren. “Je spreekt te weinig” “je haar is te bruin” “Je benen zijn te dun” “Het kaartje hangt uit je t-shirt” “Chips?! Jij eet toch geen chips, hier, een kommetje fruitsla”
God ziet u
God verdomme
-El-
zwanen
juli 17, 2009
hoofdpijn
juli 14, 2009
‘Ik heb nog nooit hoofdpijn gehad en ik zou eens graag weten hoe het voelt’
klonk het, uit de mond van een totdantoe onbekende blondine, die haar opwachting maakte in ‘de droomfabriek’. Bart Peeters keek nog verbaasder dan we gewend zijn, en Vlaanderen was collectief jaloers op de kandidate van vandaag. Nevernever koppijn, stel je voor! Geen hamers die dat plekje tussen je ogen martelen.. Mmmmmm
Ze werd dan ook meteen voor een drumstel geplaatst. Liggend, weliswaar. Met het kopke tussen de benen van de drummer, die vergezeld werd door een orkest van lustige percussionisten en een drilboor en een kettingzaag en Eddy Wally himself, in zilver glitterkostuum. Allesbehalve Mmmm….
Na een dikke drie kwartier peilde men naar haar welzijn. Ze meende toch iets te voelen ter hoogte van haar hersenpan.
-Pijn?
-Bwa ja, kdenket
En het publiek joelde en juichte
Met een hagelwitte tandpastasmile nam Miss Hoofdpijn afscheid van de trouwe BRTN-kijkers. Ze had hoofdpijn én ze was op tv geweest, wat wil een mens nog meer?
-El-
Hij is twaalf en tweeëndertig
Een beetje speels en een beetje volwassen
Aan’t voetballen op zakenreis
En ik, ik goochel met cijfers, alsof het doodgewone, alledaagse dingen zijn. Rode, gele en blauwe parels op een telraam die je heen en weer kan schuiven. Nu ben je kind, dan weer bejaard.
Stiekem is het wel leuk, om iemand te ontmoeten die zowel het kind als de vrouw in je naar boven brengt. Iemand waarmee je eigenlijk gewoon uit een vliegtuig wil springen. Mét een parachute, weliswaar, die zich ontplooit terwijl we op één of andere Limburgse weide vol koeien neerdalen.
Anderzijds trakteert hij me op Cava en Calamares.
En ik? Ik weet het niet
-El-
over mean girls
juli 12, 2009
Ooit ‘mean girls’ gezien? Een film over een nieuwe leerlinge die nogal stevig gepest wordt door drie populaire barbie-lookalikes. Ze wil erbij horen, pikt het vriendje in van de blonde en wordt op slag doelwit numero uno van de drie, die toepasselijk ‘the plastics’ genoemd worden. Ze verspreiden sappige roddels over ‘de nieuwe’ en laten haar per ongeluk struikelen in de kantine, terwijl het volle dienbord op de vloer klettert, vlak voor de voeten van de leider van het base-ballteam.
Een mengelmoes van torenhoge clichés en opgeblazen stereotypes, maar toch tof om op een onbewaakt moment naar te kijken. Met zout-en-peper-chips, witte martini en vriendinnen.
Dat laatste is misschien niet zo evident, aangezien de moraal van ‘mean girls’ niet meer inhoudt dan het feit (?) dat vrouwen schijnheilige, achterbakse trutten zijn die in een mum van tijd van boezemvriendin naar cruella devil transformeren.
Maar dat moeten we allemaal met een korrel zout nemen, nietwaar? De mean girls zijn karikaturen, niet meer of niet minder. Ze doen ons denken aan meisjes die vroeger nog bij ons in de klas gezeten hebben, of bij de jeugdbeweging. Ze lijken op de gemaquilleerde zestienjarigen die de dansvloer in beslag nemen op elke willekeurige chirofuif. We lachen met hen, zowel voor de tv als in de fuiftent, en tegelijkertijd behoren ze tot onze vriendenkring, en ook een heel klein beetje tot onszelf, maar dan ook een miniscuul beetje. Maar de mean girls bestaan dus echt. Sterker nog, ik kwam er minstens ééntje tegen vandaag, en ik moest ook nogeens met haar samenwerken.
Ze zat bij mij op de middelbare school, een jaar hoger dan ik. Ze had unief geprobeerd, zei ze, maar dat lukte niet zo goed, daarom ging ze voor kleuterlerares.
‘En jij?’ vroeg ze. ‘Communicatiewetenschappen’ zei ik, ‘valt wel mee, alles erdoor’
Ze keek ietwat geïrriteerd en werkte stuurs verder.
Ik scande ticketjes, zij deed de bandjes om bij de mensen.
Naarmate de tijd vorderde, kreeg ik alsmaar vaker te horen dat het ‘toch wel moeilijk ging hoor, die bandjes omdoen’, en dat ‘mensen soms toch wel dikke polsen hadden, of teveel haar op hun armen’. Ik knikte begrijpend, voor zover ik begrijpend kan knikken.
Een heuse volkstoeloop volgde, en de festivalweide liep vol, mede dankzij onze arbeid.
Opeens kwam de verantwoordelijke madam naar ons toe, met de mededeling dat ons werk erop zat voor vandaag, dat we naar ‘t concert mochten gaan kijken.
‘Mij goed’ dacht ik, en ik wenste mijn medewerkster nog een toffe avond toe.
Alles goed en wel, maar toen volgde dé steek onder water.
In plaats van een doodgewone ‘daaaaaaaaaag’, moest ze er nog gauw even aan toevoegen dat de verantwoordelijke madam toch wel heel gemeen naar mij had gekeken en dat ze gezegd had dat IK zeker en vast als eerste moest stoppen met werken, omdat IK mijn werk helemaal niet goed deed.
Toch vreemd dat ik dat toevallig net niet had gehoord.
Ik heb mijn medewerkster niet uitgescholden, ik heb haar zelfs vriendelijk gedag gezegd.
Bij nader inzien verdiende ze een schop onder haar kont.
De godverdomse trut
-’Een geïrriteerde’ El-
nostalgie (nogmaals)
juli 9, 2009
Ben ik nu echt de enige die pretparken een klein beetje treurig vind, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden?
Wie kwam er trouwens op het idee om een pretpark te bouwen?
Waarschijnlijk een nobele kindervriend… Zo’n malle, oude diplomaat die tot in de late uurtjes schetsen maakte en plannen uittekende op zolder, bij kaarslicht. Iemand die tientallen A4-tjes vulde met allerhande attracties, snoepkramen en bloementuinen en zijn tekeningen ’s anderdaags op de keukentafel neerlegde, naast een beker zoete koffie mét een koekje. Om zijn vrouw gunstig te stemmen, in de hoop dat zij enthousiast zou reageren en hem zou steunen in zijn onderneming.
Met de vrouw des huizes won hij een eerste zieltje, en zo groeide de hoop dat er weldra meerderen zouden volgen.
Nu waren zijn keurige collega’s aan de beurt. Hoge pieten, tussen haakjes. Bankdirecteurs, kaderleden en consoorten. Tijdens een gezellige lunch bracht hij het onderwerp ‘pretpark’ ter sprake, maar hij oogstte maar weinig succes met zijn lucratieve ideeëngoed. Meer nog, ze lachten hem uit, zeiden dat hij zich beter met ernstige zaken kon bezighouden. Beleggen, sparen, opzijzetten, uitstellen, dat soort zever.
Er kwam een klik in ‘t hoofd van onze uitvinder. Ineens besefte hij dat hij niet gemaakt was om zijn dagen in een grijs kostuum te slijten, en hij diende -zonder pardon- zijn ontslag in. Hij keerde zijn collega’s de rug toe en ging vollenbak voor zijn eigen geluk.
Dat geluk bereikte hij, niet zoveel later. Want met zijn spaarcentjes betaalde hij gewillige architecten, bouwvakkers en deskundigen die zijn papieren pretpark in een realistisch exemplaar omzetten. Avec succes, want niet zoveel later zette hij z’n hoge hoed op en zocht hij zijn vergulde schaar om het zijden lintje door te knippen en het allereerste pretpar k plechtig te openen.
Tientallen kinderen stormden het park binnen, achtervolgd door verwarde, blije ouders. De oud-collega’s lachten groen. Hij had het toch maar verwezenlijkt, die oude malle burgemeester die ’s avonds liever tekende op zolder, dan op stamenee te gaan.
Hij legde de eerste steen aan de voorloper van disney- en fantasialand, de efteling en bobbjaanland.
Of dit alles waar is weet ik niet. Misschien zuig ik het wel uit mijn duim,
maar wat ik wél weet is dat ik vroeger écht betoverd werd door de efteling. De dansende rode schoentjes, het land van laaf en de ezel die chocolademuntjes uitscheidde. Ik vond het geweldig, en toen de vuilbak ‘dankuwel’ zei, als reactie op de prop papier die ik in diens mond stopte, wou ik er echt nooit meer weg. Maar tot mijn grote spijt sloot het magische land rond zes uur, en werd het levende sprookjesbos in een mum van tijd een mechanische constructie. Als je goed keek kon je zelfs de kabeltjes zien, die de man op het vliegend tapijt hielpen voortbewegen.
Sindsdien heb ik een tiental pretparken versleten, en ‘t is er niet op gebeterd. Walibi, bijvoorbeeld, ziet er heden ten dage een beetje treurig uit.
Het park grenst aan de autostrade, die je nota bene overmoet als je met de trein komt. De vrolijke sfeer is lichtjes geforceerd, wat zeer duidelijk af te lezen valt op het gezicht van de “vrolijke circusbaas”, die zich elke morgen in een glitterpakje mag heisen om toeristen te verwelkomen. De werknemers verkopen zoetigheid met een zure blik, die mogelijk nog zuurder wordt wanneer je het waagt om geen Frans te spreken. En het volk, het volk loopt er marginaal bij, en je begrijpt best wat ik bedoel. De roze wenkbrauwpiercings zijn niet meer te tellen.
Kortom: Er bleef geen greintje kinderlijke vreugde meer over. Walibi is een bedrijfje geworden, waarbij je pret probeert te kopen. It’s all about the money, lijkt het motto tegenwoordig. En durf vooral niet thuis te komen zonder sleutelhanger van jezelf en uw naasten in een houten bootje, met de handen in de lucht.
Misschien eens disneyland proberen?

-El-
