een dag aan zee

februari 22, 2009

 

Ooit koop ik een grote wereldkaart. En een pendel.

Vervolgens zal ik mijn ogen sluiten en het zilveren ding erboven laten bengelen. Mijn zesde zintuig zal dan een bestemming kiezen en wonder bij wonder zal ik niet in een oceaan terechtkomen, dan wel op een ijskoude bestemming of een oersaai Zwitser- of Nederland. Ook de Gazastrook maakt weinig kans om het tot reisoord te schoppen, maar daarbuiten zullen alle mooie warme landen tot de mogelijkheden behoren…

 

Ooit vond ik de Belgische kust nog bezienswaardig, maar duurde niet zolang. Ik kreeg een bal tegen mijn hoofd, trapte in een hondendrol en kreeg ettelijke slokken zeewater in mijn mond. Toen ik -ook nog eens- een tampon in de zee zag drijven, was het hek van dam. Ik repte mezelf naar de strandstoel, spoelde mijn mond drieënvijftig keer en bracht de rest van de dag al lezend door. Vier keer hetzelfde Jommeke-album, want mama was ervan overtuigd dat we ‘toch niet met onze neus in de boeken zouden zitten’. Niet in de boeken met een grote B, maar toch…

 

Jommeke had het trouwens verder geschopt dan ons gezinnetje. Hij bezocht het ydillische paradijseiland, omringd door een blauwe oceaan en een strand zonder sigarettenpeuken. Hij hield zich ook niet bezig met zandkastelen bouwen, nope, hij maakte ‘boomhutten’. Ik probeerde dat ook weleens -boomhutten bouwen- maar verder dan touwladders kwam het meestal niet. Maargoed, Jommeke had zijn vriend Filiberke en een hele horde apen die slaafs zijn bevelen volgden. Ik had een buurmeisje en een zus, maar het buurmeisje viel uit de boom -krak zei de tak- en het zusje speelde liever met de barbies.

 

Is het eigenlijk iemand gelukt om ooit een volwaardige boomhut te construeren? Ik vraag het me af, want in talrijke tv-programma’s en strip-albums doet men alsof deze ‘huisjes’ zomaar uit de grond rijzen. Kinderen kunnen -volgens mij- helemaal geen boomhutten bouwen, en hoe meer ik erover nadenk, des te vaker mijn vermoedens bevestigd worden. Elke hut die ik me kan inbeelden, kwam tot stand dankzij een lieve oom of opa of papa, die zijn gereedschapsdoos bovenhaalde en iets in elkaar timmerde voor zoon-of dochterlief.

 

Geen wonder dat ik Jommeke met de jaren onsympathieker begon te vinden. Geef me dan maar zijn vader Theofiel, de realistische klungelaar met een mollige blonde vrouw, die op tijd en stond eten op tafel verwacht en zijn zoon streng-maar-rechtvaardig wil opvoeden.

 

Toch creëerden ze verwachtingen, die stripalbums. Zo geloof ik nog steeds in paradijseilanden en consoorten. Zo blijf ik dromen van continenten met blauwe zeeën en palmbomen… en witte stranden… en vleesetende planten die al wat slecht is genadeloos verorberen.. en boomhutten.. en hangmatten…

 

 

‘BERLIJNSE BOLLEN, LLLEKKERE BERLIJNSE BOLLEN’

schreeuwde de Berlijnse bollenverkoper. En ik was op slag wakker.

 

-El-

de klik in mijn hoofd

februari 15, 2009

 

Het valt me de laatste tijd op dat mensen nogal hoog oplopen met zichzelf. Niet iedereen, uiteraard, maar toch genoeg volk om mij aan het denken te zetten.

 

Het begon allemaal op een triviale zaterdagnamiddag. Zo eentje waarop ik niet veel te doen had en ging facebooken, voor zover dat woord bestaat. Uit gezonde nieuwsgierigheid surfte ik naar het profiel van een meisje dat ik vroeger vaagjes kende. Heel mooi was ze toen .. en dat is ze nog steeds. Ze illustreerde haar schoonheid dan ook door maar liefst 978 (recente!) foto’s van haar lieflijke gezicht op het wereldwijde web te plaatsen.

 

‘Amai’ schoot er door mijn hoofd. ‘Kun je werkelijk élk moment van je leven fotograferen?’

 

Noem me ouderwets, maar ik vind dat de fotografie een groot deel van zijn charme verloren heeft sinds de intrede van de digitale camera. Vroeger -in die goede oude jaren negentig -moest je nog filmrolletjes en batterijen kopen vooraleer je ‘Kodak’ tot enig nut diende. Dan stond papa minutenlang te adviseren met het fototoestel in de hand. ‘Ietsje meer naar links – Eline, wat meer lachen – Charlotte, niet met je ogen knipperen bij de flits – Klaar?- een – twee- drie – en KLIK’

 

Een foto’tje trekken vergde heel wat denkwerk. Je moest voordelen afwegen tegenover nadelen, beslissingen nemen , knopen doorhakken…

 

  • Trekken we de kinderen die van de rotsen in de Lesse springen?

  • Nee! Die foto zou toch mislukken, ‘t zou één vage vlek worden

  • Iets anders dan. Onze kinderen, die op een rots zitten?

  • Oké, maar we hebben nog maar zeven foto’s over en we moeten nog naar Durbuy hé

  • Dan kopen we wel een nieuw rolleke

  • Maar ‘t is zondag, dan zijn de winkels niet open…

 

Het leukste van al was dat telefoontje van de fotograaf.

‘Yes, de foto’s zijn er!’

Vol spanning wachtten we tot mama de winkel uitkwam met de befaamde enveloppe in haar handen. Eenmaal in de auto stortten Charlotte en ik ons als leeuwen op de inhoud ervan. De vakantiefoto’s werden één voor één kritisch beoordeeld door zes waakzame ogen . (Papa was op zijn werk en bovendien trok hij de foto’s meestal, hij bleef dus gespaard van kritiek op zijn talent)

 

Wij moesten er echter wél aan geloven. Dubbele onderkinnen, volstrekt foute kapsels en nog foutere plateauzolen… Ze werden vereeuwigd en pronken nu – tien jaar later – nog steeds in bruine, leren foto-albums.

 

Nu druk je gewoonweg even op de vuilbak-knop en je foto wordt ogenblikkelijk vernietigd. Zo verschijnen er ofwel supermooie – ofwel superbelachelijke beelden op facebook. Die eerste meestal op mijn eigen profiel.. die tweede op datgene van iemand anders.

 

Een foto is niet meer wat het geweest is. Een aantal pixels op een beeldscherm. Niet eens zoveel meer dan een momentopname in je geheugen. Gaan we vooruit of achteruit?

-El-

 

het lelijke eendje

februari 15, 2009

 

Er was eens een lelijk eendje dat zich nestelde in mijn hersenpan en daar nooit meer wilde weggaan.

 

Niet mijn huisdier, verre van. De eenden in elke willekeurige vijver voeder ik restjes brood, maar die ene in mijn hoofd mag gerust verhongeren. Verdwijnen.

 

In plaats daarvan getuigt ze van een sterk karakter. Ze palmt mijn gedachten in, meer nog, ze IS een achterliggende gedachte tijdens mijn doen en laten. Ze kijkt, bijvoorbeeld, naar mooie meisjes op tv en voorziet deze beelden van commentaar à la ‘Vergeet het, zo’n taille’.

 

Sterker dan mijzelf, dat stomme beest. Natuurlijk is het een ‘ze’, zo’n feeks . Met die scherpe snavel van haar pikt ze gaatjes in mijn zelfbeeld, terwijl haar domme ogen als knikkers uit haar oogkassen puilen.

 

Een deel van mij dat ik liever kwijt dan rijk ben. Zoals een ontstoken appendix, eigenlijk.

 

-El-

Nuttigheid in een notendop

februari 9, 2009

 

Als er iets is dat ik absoluut haat… is het wel ‘mij vervelen’. ‘t klinkt waarschijnlijk onwaarschijnlijk, maar als ik een week lang uitslaap en tv-kijk en modeblaadjes lees, voel ik me met de dag nuttelozer. Dan begin ik lijstjes te maken van nuttige bezigheden, al heb ik mijn platte rust wél dubbel-en-dik-verdiend na een maand-of-twee zware hersenarbeid.

 

Die lijstjes komen tot stand op lijntjespapier, want als ik iets opschrijf, dan hou ik me eraan, of toch op korte termijn. Zo stond ‘terug gaan turnen’ op nummer één. En ‘Altijd naar de les gaan’, ‘meer babbelen’ en ‘meer water drinken’ krabbelde ik ook ergens neer. En tussen de lijnen wilde ik ook gitaar leren spelen en vaker naar oma en papa gaan. En mijn klassiekers lezen, bloggen en eindelijk eens Star-Wars zien.

 

Alles om de verveling tegen te gaan. Hét zwarte gat na de blokperiode. Weliswaar alleen voor mij, vrees ik.

 

Eigenlijk vind ik het best wel tof – bezig zijn. Als de boog niet gespannen staat, kun je ze namenlijk ook niet ontspannen.

 

-El-

Bonsoir

februari 8, 2009

 

Daarnet was ik weer heel even in Zuid-Frankrijk. Het kostte me moeite noch vliegtickets om daar te geraken. Een Franse film volstond. Zo ééntje die de troeven van Nice en omstreken nogeens extra in de verf zette. Pittoreske dorpjes, rode wijn bij de lunch en altijd-maar-dan-ook-altijd zon. Beelden die me een beetje pestten, of toch tenminste plaagden. ‘Je was beter duizend kilometer lager geboren, ici, au soleil‘. En inderdaad, de scènes zagen er totaal anders uit dan onze volgebouwde steden en miniscule bossen. Mét plastieken wc-hutjes op de wandelroute, zo’n bouwvakkertoiletten, omdat wij niet graag achter bomen plassen. Achja

 

Niet dat ik iets tegen België heb hoor, integendeel. Ons Leuvens stadhuis valt zeker onder de noemer van de kunst, en in de Ardennen heb je bijna bergen wanneer je bijna kunt skieën, mocht er een laagje sneeuw vallen. Tatomium schijnt ook wel mooi te zijn, al moet ik bekennen dat ik dit monument nog nooit bezocht heb. Naar manneke pis ben ik -dan weer- wél gaan kijken, maar de Japanners-met-fototoestel rondom mij leken toch net ietsje enthousiaster dan ik. Mij kun je dus moeilijk verdenken van nationalisme, terwijl ik wél begrip heb voor het Franse chauvinisme. Alpen én een côte d’Azur, daar mag je toch wel trots op zijn?

 

Volgens mij vinden ze ‘te laat komen’ ook niet zo’n probleem bij onze Zuiderburen. Hemels voor mensen zonder horloge (zoals ik). En van middagdutjes en croissants ben ik ook geen tegenstander.

 

Maar misschien is het gras altijd groener aan de overkant. Misschien zou ik die verstikkende hitte en die laksheid onmiddellijk beu worden als ik in zo’n oer-Frans dorpje woonde. Dan zou ik op den duur iedereen kennen en tot de constatatie komen dat alle mooie jongens al een lief hebben of homo zijn en dat ik me dan maar tevreden moet stellen met een tweede keus. En ik zou de delhaize missen, of niet? De h&m? De gsm-masten? De kapper? Ik weet het niet. Twee weken Zuid-Frankrijk -2 jaar geleden- waren heerlijk ontspannend, maar ik weet niet of ik er heel mijn leven zou kunnen spenderen.

 

Ik denk dat ik het op een compromis gooi. Eerst een paar jaartjes in’t stad wonen, later op den buiten, als ik aan’ t werk ben en wanneer mijn pensioen aanbreekt, dàn trek ik naar een ander land. Druiven telen in Frankrijk of Italië of Spanje -als zestigplusser-, da’s nu écht eens mijn droom. Het mogen -tussen haakjes – ook wel tomaten of ander lekkers zijn.

 

Jaja, mijn oude dag ligt al vast, daar heb ik al diep over nagedacht. Nu nog beslissen wat ik tussen mijn vijfentwintigste en mijn vijfenzestigste ga uitvoeren. En wààr ik dat ga doen, ook niet onbelangrijk.

 france

-El-

zee

februari 5, 2009

 

Een mens kan veel weten, maar toch is er altijd meer dat je niét weet. Zo dans ik maar al te vaak op de grens tussen een wereld van kennis en een zee van onbenul. Tussen eb en vloed, tussen waarheid en onzin. Een vage grens, verminkt door de golven.

 

Mijn tenen betasten het natte zand, terwijl het witte schuim op en neer stroomt, langs mijn enkels. Ik zak steeds dieper weg, terwijl mijn voetstappen minder zichtbaar worden en tenslotte niet meer zijn. Ik wou dat ik dat ook kon. In stilte wegebben zonder dat iemand er ooit iets van zou merken. Even weg zijn van de wereld en weer terugkeren wanneer het mij past. Op reis gaan, vluchten van het rationele.

 

Zo laat ik mijn gedachten varen, en richt ik mijn blik op oneindig. Het denken laat ik aan iemand of niemand anders over, omdat ik er geen zin in heb. Waarom zou ik een waarheid willen benaderen, die toch niet bestaat? Waarom zou ik uitspraken doen die door anderen bejubeld of bespot worden, die ze aannemen of verwerpen.

 

Een zoeker, daar voel ik me verwant mee. Zo noemt men mensen die niet weten wat ze met hun leven willen aanvangen en steeds op zoek gaan naar nieuwe ervaringen en weetjes. Op mijn lijf geschreven, die term, al weet ik niet helemaal waar of wat of wie of wanneer ik dan wel mag zoeken. Misschien is ‘zoeker’ niet meer dan een eufemisme voor ‘iemand die van twee walletjes wil eten’, iemand die niet kan en wil kiezen, die niet weet wat ze wil.

 

Toch zoek ik daadwerkelijk naar een manier om mijn leventje nuttig in te vullen. Soms lukt dat wonderwel, dan heb ik zoveel te doen dat er geen seconde meer overblijft om te twijfelen over mijn doen en laten. Maar anderszijds onderga ik ook dagen waarop al mijn activiteiten dom of waardeloos lijken. Dan zit ik voor de tv te denken waarom ik niets beters te doen heb. Of dan schrijf ik blogberichten die ik onmiddellijk weer naar de prullenbak verban. Of dan lees ik 25 pagina’s in boek nummer 1, de humo, 20 pagina’s in boek nummer 2, en de kruidvat-reclamefolder. Dit ritueel herhaal ik zo’n drie keer, tot grote ergernis van mama, die blijkbaar geen overdosis literatuur op de salontafel verdraagt.

 

‘Ge denkt te veel, ge moet leren loslaten’

 

Mooi in theorie maar een ramp in de praktijk, die multifunctionele psychologie. Want begin er maar eens aan. Hoe moet je in hemelsnaam ‘leren loslaten?’ Toen ik de allereerste keer alleen fietste was de bedoeling duidelijk, maar ‘je gedachten’ niet langer vasthouden, da’s andere koek. Je kunt niet ‘niet denken’, denk ik. Mensen in comateuze toestand zullen het daar niet zo moeilijk mee hebben (met alle respect), maar de rest van de wereld denkt quasi-automatisch na, sommigen maken er zelfs hun job van.

 

Daarom sta ik hier dus te staan, omsingeld door meeuwen en een zachte zeebries. Om tot rust te komen en ‘los te laten’. Enkel een lucht en een zee in mijn vooruitzicht. Allesbehalve indrukwekkend. En toch.. toch zie ik de contouren van Londen, en drijvende zwembroeken die in draaikolken verdwijnen, en een grote Neptunus met een drietand in de wolken, … En dan begin ik me weer af te vragen waarom ik die dingen zie die niemand anders ziet.

 

Ik kan het niet, mijn gedachten laten varen. En ik zal het ook nooit leren.

 

-El-

Gensters

februari 5, 2009

Gensters drijven

op stille waters

 

en ik glimlach

mooier dan woorden

 

als ik  je zie wachten

 

-El-

wegwerpvrienden

februari 4, 2009

Vroeger had ik een heleboel idealen over wat vriendschap dan wel mocht betekenen. Samen rondtrekken met de rugzak, giechelen, roddelen, maar ook met de hand op het hart zweren dat we elkaars geheimen nooit zouden voortvertellen. Ruzies duurden nooit langer dan twee dagen, en in die twee helse dagen schreef ik dan ook een half dagboek vol, met de bedoeling om mijn leed op papier achter te laten. Uiteindelijk waren we altijd te koppig om sorry te zeggen tegen elkaar, en loste het conflict op in het niets. Zomaar, alsof er nooit iets gebeurd was. Noem het ‘the easy way’, maar het hielp wel. Geen winnaars of verliezers.

 

We maakten de zotste toekomstplannen, ik en mijn vriendinnen. We zouden op een boerderij gaan wonen. Op een grote hoeve met paarden en koeien en varkens. Maar geen kippen, en al zeker geen hanen die ons tegen zessen wakker zouden kraaien. Bovendien zouden hun scherpe snavels een gevaar betekenen voor ons springkasteel in de tuin. Één welgemeende beet in het plastiekachtige stofje en ons kasteel zou met de grond gelijk gemaakt worden.

 

We geloofden in een toekomst die we zelf schreven. Op roos briefpapier met een chemische aardbeiengeur. Wat op zich niet zo vreemd is , aangezien alle op-elfjarige-meisjes-gerichte- spullen roos waren en naar aarbeien of kersen roken. In het ergste geval kwam er ook nog glitter aan te pas, wat ik in die tijd helemaal niet zo erg scheen te vinden. Maargoed, we schreven, of beter, tekenden onze toekomstplannen uit tot in de details.

 

Toch draaide het leven anders uit. Ik zit momenteel niet op een paard en ik ben al evenmin van een prachtige zonsondergang aan het genieten. Ik heb al helemaal geen lange, blonde krullen (integendeel!) en ik ben ook niet gesetteld, laat staan getrouwd. Anderszijds typ ik op de toetsen van mijn eigen laptop, terwijl we -vroeger- onze Windows95 als hypermodern beschouwden. Én ik heb een staaf door mijn lip, wat de kleine-ik alvast met rebelse praktijken zou associëren.

 

Eigenlijk dwaal ik af, want ik wou het over vrienden hebben. Of over al wat zich tussen vriend en vijand bevindt. Échte vrienden kun je meestal op één hand tellen, maar daarnaast heb je ook nog een resem kennissen, of vroegere vrienden, of wannabe-vrienden. Of wegwerpvrienden. Geen wegwerpkinderen (weesjes), maar wegwerpvrienden. Tegenwoordig komen-en-gaan mijn vrienden, die ik tengevolge daarvan bezwaarlijk nog vrienden kan noemen. Wegwerp-gedrag is echter niet aan mij besteed. Ik zeg nooit nee tegen een afspraakje met een oude kennis, en ik doe -meestal- wel moeite om contact te onderhouden met mensen die me nauw aan het hart liggen of lagen. Sommigen denken daar anders over. Die handelen doelgericht. Die willen iets van je en als ze het niet kunnen krijgen verdwijnen ze plotsklaps in de anonimiteit. You know what I mean?

 

 -El-

gewoonleuk

februari 1, 2009

 

In mijn diepste binnenste koester ik -soms- de wens om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Voor sommige mensen klinkt dit als pure logica, want ‘wat is er leuker dan aandacht?’, maar uit mijn mond zouden de meesten zowat het tegenovergestelde verwachten.

 

En da’s helemaal niet zo raar, als je weet dat ik amper mijn mond open doe in groot gezelschap en dat ik sinds het eerste leerjaar bekend sta als ‘het stilste meisje van de klas’. Ik heb eens gelezen dat er in elke klasgroep een patroon van posities bestaat, en ik moet zeggen dat die theorie vrij dicht bij de werkelijkheid aanleunt. Zo heb je twee tot drie populaire leerlingen, een stuk of vijf volgelingen, één klasgek die hopeloos grappig probeert te zijn, een rebel, een nerd en een stuk of drie ‘onzichtbaren’. Driemaal raden tot welke categorie ik behoor(de).

 

En toch wil ik -soms- die sluier van onzichtbaarheid in brand steken en laten zien wat ik in mijn mars heb. Wat ik doe niets liever dan zingen en dansen en acteren, en liefst op een podium met een benoemenswaardig publiek. Zelfs van karaoke kan ik genieten, en dan vooral van het applaus achteraf. Of het nu een hele zaal is, die me toejuicht, of slechts enkelen die uit beleefdheid klappen, dat maakt niet zoveel uit. Applaus is iets speciaals, en daar wil ik best wel drie-minuten-en-half voor zingen, in de meest brede betekenis van dat woord.

 

Soms denk ik dat het gewoon de kick is, die ik zo leuk vindt, de voldoening die voortvloeit uit het feit dat ik mijn verlegenheid aan het overwinnen ben. Anderszijds vind ik het gewoon leuk. Gewoon leuk. Gewoon leuk.

 

Nooit gedacht dat ik die twee woorden naast elkaar zou plaatsen. Normaalgezien vind ik gewone dingen helemaal niet leuk.

 

-El-