kort samengevat

september 29, 2008

 

Een vakantie kan tweemaal eindigen; éénmaal in theorie, zo rond tweeëntwintig september, en nog een keer in de praktijk, zo’n weekje later.

 

Want nu we zo stilletjes aan kennis gemaakt hebben met diverse vakken, boeiende en saaie docenten en tientallen mede-studenten, wordt het tijd voor ‘het serieuze werk’. De ijverige seut in mij moét natuurlijk elk college bijwonen, en duchtig noteren, om ’s avonds haar eigen samengevatte cursus bijeen te typen op de teerbeminde laptop.

 

En wat ’s avonds begon, werd al gauw een nachtelijke activiteit. Want samenvattingsvermogen.. dat heb ik niet… en dat heb ik ook nooit gehad, nu ik erover nadenk. Dit heuglijke feit ontdeke ik zo rond mijn twaalfde, terwijl ik mijn eerste jaar in de middelbare school doorploeterde. Keer op keer kreeg ik toetsen voorgeschoteld, met een minimum aan antwoord-ruimte, onder de vragen. Klein schrijven baatte niet, en daarom begon ik met allerhande *-verwijzingen naar een uithoek van de bladzijde, of met boodschappen als ‘Zie achterzijde’. Op zich geen probleem, want zo verbruik je minder papier, en doe je moeder natuur een plezier.

 

Iets minder plezierig was het feit dat mijn leerkrachten nooit zagen dat ik de andere zijde van hun blaadje ook benut had. Oké, er was één uitzondering, die er in’t rood bijschreef ‘Sorry Eline, ik had eerst niet gezien dat je antwoord nog verderging op de achterzijde. Het doorstreepte cijfer klopt dus niet, maar daarnaast heb ik je échte cijfer genoteerd. Een 9,5, proficiat!‘ En ik kreeg er nog een lachend zonnetje blij. Je kunt niet geloven hoe blij ik was.

 

(Oké, nu ga ik de Brusselmans-toer op, en da’s ook niet de bedoeling :D )

 

Maargoed.

Ik denk dat ik me moet verzoenen met het feit dat men tegenwoordig alles-maar-dan-ook-alles in’t kort-en-bondig moet vertalen. Mensen hebben geen geduld meer om je drijfveren te achterhalen. Ze willen na hun werk regelrecht naar huis, om snelsnelsnel een lekkere maaltijd uit de microgolfoven tevoorschijn te toveren. En vervolgens de afwas in’t machine te droppen, terwijl ze andere kleren aantrekken, voor het zoveelste bedrijfsfeestje dat hun in feite geen klop interesseert. De kinderen worden om halfzeven in bed gestopt, terwijl ze -nog steeds- in een soort hyperactieve suikerroes verkeren. De babysit kan haar rustige tv-avondje wel vergeten.

 

Ik ben er alleszins geen voorstander van, van dat hectische gedoe. Uitslapen, urenlang tafelen en al evenlang in bad liggen, da’s toch zalig. Of de manier waarop onze goede viend Tolkien 1500 bladzijden over een Hobbit en een Ring kan schrijven. Heerlijk gewoon!

 

Maar mijn cursus ‘Methoden en technieken van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek’… die mocht toch net iets compacter zijn…

 

Geeuw

-El-

Op zoek

september 27, 2008

 

‘Home sweet home’ zeggen ze, maar elders wonen kan ook wel eens plezant zijn. En dat heb ik de voorbije week aan den lijve ondervonden. Want zo’n kleine zeven dagen geleden betrad ik -voor de allereerste keer- de kamer die een jaar lang ‘de mijne’ zou worden.

 

Ik zag vier kale muren, een tafel, 2 afgedankte stoelen en een ijzeren vuilnisbak. En ook nog een bed, een lavabo en een ladenkast. Niet meer, niet minder, maar daar zou snel verandering in komen. Want zo gauw mijn agenda het toeliet, trok ik naar de Bondgenotenlaan om mijn portemonnee te ontladen. En mijn tas op z’n beurt in te laden met posters, fotokaders en spullen die ik eigenlijk niet, maar toch wel nodig had.

 

Twee dagen en een Ikea-bezoek later zag kamer 38 er betrekkelijk anders uit. De prullenbak ging regelrecht richting ‘oud ijzer’, en de muren werden bekleed door foto’s van mijzelve, in schattigere tijden. En ook mijn familie en vrienden houden mij ‘in’t oog’, vanuit hun fotokader, omdat het altijd leuk is om bekenden om je heen te hebben als je een stap in het onbekende zet.

 

Het is even wennen, de universiteit. Zoveel nieuwe gezichten die je met de juiste naam wil aanspreken. Zoveel nieuwe straten, waarin diverse auditoria schuilen. Zoveel boeken en dia’s en uitleg en notities, die mijn innerlijke harde schijf overbelasten.

 

Het begin van een zoektocht, zo kan ik mijn week bondig beschrijven. Op zoek naar het juiste lokaal, naar potentiele vrienden, naar leuke cafés, … maar vooral een zoektocht naar mezelf. Met vragen als ‘Heb ik de juiste keuze gemaakt?’ en opdrachten, die ik mezelf geef als ‘Ruim nu je kamer op’, en ‘Sla die cursus wiskunde nu eens open’.

 

Stilzitten zit er even niet meer in, en die dagelijkse blogberichten behoren ook tot de verleden tijd, als ik mijn leerboeken zo eens bekijk. Dehaene is er niets tegen, qua omvang!

 

Er moet me iets van het hart.. ik ben namenlijk ontzettend moe.

En daarom klap ik mijn laptop over een secondje of tien toe.

 

-El-

zucht

september 17, 2008

 

Ik kijk tv en ik gaap. ‘The Oc’ kan me blijkbaar niet boeien vandaag, dus zap ik verder, op zoek naar een programma dat mijn kijklust wél kan bevredigen. Zoals verwacht stoot ik op geforceerde talkshows, geacteerde reality-tv en bovenal: veel reclame. Mijn wijsvinger drukt wijselijk op de rode knop, en gaat vervolgens op zoek naar een goed boek. ‘Straftijd’ van Lieve Blanquaert griste ik verleden week mee uit de bib. Een goede keuze, denk ik, aangezien mijn hersenen geen diepzinnige lectuur meer lusten. In ‘Les Misérables’ geraakte ik welgeteld honderdtweeënzestig bladzijden ver, en ‘Anna Karenina’ liet ik gewoonweg in het must-read rek achter, omdat ik geen zin had om deze kanjer mee naar huis te zeulen.

 

Tijd voor ‘Straftijd’, dus. Het belooft zo’n realistisch, makkelijk leesbaar boek te worden, geïllustreerd met stijlvolle zwart-witportretten en een knappe moderne kaft. Het leest inderdaad heel vlotjes en de fotografische bijdrage is bijlange niet slecht. Toch kan ik me geen moment concentreren op de levensverhalen van de geïnterviewde gedetineerden en hun familieleden. Mijn hoofd staat er niet naar, want mijn gedachten dwalen af naar vanalles en nog wat.

 

Ik denk dat het gewoon de zenuwen zijn, de gezonde stress om wat komen zal. Binnenkort is het immers zover… De universiteit, op kot gaan, alleen wonen. Hoewel, alleen is relatief, want ik deel mijn woning met zo’n 90 mede-studenten, die me -hopelijk- zullen aanvaarden, ondanks mijn duizend-en-één rariteiten, die ik gemakkelijkheidshalve even achterwege laat.

 

En dan zijn er natuurlijk de studies, de dikke boeken en de gevreesde wiskunde. Want zeg nu zelf, ‘Statistiek’ klinkt niet echt als muziek in de oren hé? Vooral niet voor iemand als ik, die nogal vreselijke herinneringen heeft aan staartdelingen en goniometrie en alles wat met wiskunde en rekenen en algebra te maken heeft… ‘t’Zal allemaal wel lukken’ spreek ik mezelf moed in, maar mijn dromen beslissen er anders over. Want gisteren galoppeerde er weer zo’n prachtige nachtmerrie doorheen mijn slaapkamer. Ik kan me niet zoveel meer herinneren van dit exemplaar, maar ik weet nog wel dat ik naast mama in de auto zat, huilend. Omdat mijn examen wiskunde rampzalig was, die voormiddag.

 

Maargoed, diezelfde nacht droomde ik ook dat ik een kindje had, met kastanjebruin haar en blauwe ogen, én dat ik in een achtbaan zat.

Waarmee ik wil zeggen dat dromen niet per sé de realiteit voorspellen, want zwanger ben ik allesbehalve, en een pretparkbezoekje zit er ook niet in.

 

Zucht

Ik smijt een kersenpittenkussentje in de microgolfoven en poets mijn tanden.

It’s time to get some sleep

 

-El-

 

Kan er iemand dromen verklaren, by the way? ;)

Nostalgie

september 15, 2008

 

 

 

‘t Is 5 uur ’s nachts, en ik moet dringend naar de wc. Ik draai me om en om in bed en probeer te slapen, maar een volle blaas dwarsboomt mijn nachtrust. Ik zucht, krabbel recht en ga op zoek naar een badkamer in dit vreemde appartement. Ik slenter stilletjes de trap op, en open de deur met een bang hartje. Gelukkig gok ik juist, en val ik niet in één of andere slaapkamer binnen.Voorzichtig knip ik het licht aan en voor mijn eigen goed kijk ik niét in de spiegel, kwestie van mijn houten kop niet te moeten aanschouwen. Terwijl ik op de wc-bril neerplof, merk ik opeens een vertrouwde geur op. Een soort waspoedergeur, die ik uit duizenden herken. Ze doet me namenlijk aan Catherine denken, of dan toch aan haar persoonlijke badkamer die ze -zo nu en dan- met haar jongere zusje moest delen.

 

Minstens driehonderdnegenenzeventig keer heb ik haar befaamde badkamer bezocht… Om te plassen en om mijn handen te wassen, maar ook om me te verkleden, nadat we in haar zwembad hadden gezwommen, of om mijn gezicht af te kuisen, na één van onze mislukte make-up experimenten.

Niet dat we veel met schmink en dergelijke bezig waren, integendeel. We bouwden liever boomhutten, en we bezochten bouwvallige krotten waarop uitnodigingen als ‘verboden op te komen’ kleefden. We forceerden de deur, kropen binnen en amuseerden ons met het inrichten van ‘ons huisje’, dat we -natuulijk- met een paswoord verzegelden. Vervelende zusjes en irritante buurjongens kwamen er niet in, tenzij ze onze vooropgestelde proeven met succes aflegden. Een kilometer hardlopen, over een beek springen en in diezelfde beek zwemmen behoorden tot de vereiste vaardigheden om bij ons clubje te mogen. Volgens mij bedachten we zelfs een eigen taal…

 

Ik leerde haar kennen op een verjaardagsfeestje van een vriendin waarmee we op balletles zaten. Samen waren we twaalf jaar oud, wat betekent dat we elk zes lentes telden. Catherine en ik klommen in de hoogste dennenboom van het nabije bos, en toen we samen de top bereikten, leek onze vriendschap gezegend. We lachten ons samen een ongeluk, toen de mamas hun dochters kwamen ophalen, en wij getweeën nergens te bespeuren waren. We zwommen niet in het plastieken zwembadje,we zaten niet op de schommel, en de zelfgemaakte suikerspinnen lieten we blijkbaar liks liggen. Een dik uur, en vele gesprekken later sprongen we dan toch naar beneden. ‘Heyy mama,ben je er nu al?!’

 

Van toenafaan waren we onafscheidelijk, Catherine en ik. We volgden allebei turnles, speelden piano bij dezelfde muziekschool en in’t middelbaar begonnen we samen aan ‘de Latijnse’. Uiteraard schreven we elkaars naam op het inschrijvingsformulier, want we moesten en zouden in dezelfde klas zitten.

 

‘Notre maison a six étages’

verklaarde ze tijdens frans, waarop de lerares grote ogen trok en ervan uitging dat Catherine de Franse cijfers nog niet goed onder de knie had. Ik wist echter beter, want haar villa kon je gerust met een hotelletje vergelijken, qua grootte. Ze had een eigen verdieping, en een gigantische slaapkamer, met een gouden bed en een imposante verzameling speelgoed. Zoveel barbiepoppen, lego-belleville,playmobil, … én toch bouwden we liever kampen in de tuin. Zo begonnen we ooit is met een groots project: We zouden een put graven, om dwars door de wereld te kruipen en uiteindelijk in Australië uit te komen.

In Australië zijn we overigens nooit geraakt.

 

Soms vraag ik me af hoe het met haar gaat. Is ze nog steeds samen met haar niet-zo-mooie-maar-wel-lieve-vriendje? Rijdt ze al met de auto? Studeert ze geneeskunde, omdat haar papa dat wil? Of wordt ze kokkin, omdat ze dat zélf wil?

 

Wie weet, misschien loop ik haar nog wel eens tegen het lijf… die Catherine

mijn aller-aller-allerbeste vriendin.

 

-El-

Annonce’ke

september 14, 2008

 

 

Het begint allemaal op een mooie zomerdag, midden augustus. Redacteur Marijn haalt zijn goede oude gitaar nog eens boven en tokkelt erop los in het zonnetje. Hij sluit zijn ogen en beeld zich in dat hij op een podium staat en toegejuicht wordt door een horde fans. Dagdromen, noemen we zoiets, maar de meeste dromen zijn -helaas- bedrog. Toch begint het te kriebelen bij Marijn, en de muziekmicrobe heeft hem duidelijk te pakken. ‘Waarom probeer ik het niet gewoon?’, denkt hij, ‘Enkele muzikanten optrommelen en samen een groep starten’. Zo gedacht, zo gedaan. Even later nestelt hij zich voor zijn pc, om een e-mailbericht te tikken, dat ik als volgt kan samenvatten: ‘Wie van de echt-medewerkers heeft er zin om met met mij een bandje op te richten? Groetjes, Marijn‘.

 

Vrijwel meteen krijgt hij een enthousiaste reactie van Evelyn, die zowel de saxofoon als de stembanden met succes bespeelt. Daarna volgen er mailtjes van Morgan, een geschoolde zangeres en bassiste, én van Elise, die naast de zang ook de vioolpartijen voor haar rekening zal nemen. Marijn’s succes bij de meisjes valt niet te ontkennen, want ook Liesbeth zou graag in de Echt-band zingen. Net als ik trouwens, al wil ik voor de gelegenheid ook nog wel eens pianospelen.

 

Een dikke week later leer ik de potentiele bandleden kennen, in de kantine van het HVV. Na de gebruikelijke kennismakingsbabbel worden er suggesties op tafel gegooid, waaronder ‘Suds & Soda van dEUS’ en ‘Favourite Game van The Cardigans’. Qua muzieksmaak klikt het zeker tussen ons, en uiteindelijk vloeien er vijf geschikte nummers uit ons muzikale gamma. Vijf nummers die we -als huiswerk- zullen inoefenen, tegen de allereerste échte repetitie.

 

En die vind plaats in ons kersverse repetitielokaal. Met de radio-cassette-cdspeler op de achtergrond brengen we een eigen versie van de verkozen songs, en ik moet zeggen dat het lang niet slecht klinkt.

 

Jullie zijn vast nieuwsgierig geworden na het lezen van deze blijde aankondiging, en daar zijn we natuurlijk op voorbereid. In de volgende Echt-editie komt er immers een foto van onze enige echte huisband, en uiteraard nog meer nieuwtjes over ons doen en laten. Wij houden u op de hoogte!

-El-

(dit komt -normaalgezien- in de eerstvolgende ‘echt’)

chasing butterflies

september 12, 2008

 

 

Like the belt of a train

on a rollercoaster-ride

you hold me too tight

while I want to be free to fly

 

You take my hand

everytime you get the chance

to pass me by

while I want to be free to fly

 

Chasing butterflies, my dear,

is a crime

I like to have you near,

but not all the time…

 

When we’re going out together

and it’s time to go to bed.

I tell you ‘goodbye, see you next time!’
but you wrap your arms around me instead.

 

Begging for a kiss on your lips,

but I prefer your cheeks.

You might be disappointed in me,

but I like to be free

 

Chasing butterflies, my dear,

is a crime

I like to have you near,

but not all the time…

 -El-

 

ongetiteld

september 11, 2008

 Dit is het begin van iets dat misschien een liedje wordt

Dit is het begin van iets en misschien ook het einde…

 

You live in your own world

and you don’t hear me.

You have made me talk to the walls

a thousand times.

Somehow it seems like

you look right through me,

like you don’t want me there,

in front of your eyes..


You talk about me all the time,

but never to me.

You spice up those stories

with little white lies.

When I tell you

I don’t like the way you treat me,

my message goes one ear in

and one ear out.

alles mag en niks is foei

september 8, 2008

‘daarse, ons kreupele’

september 8, 2008

 reageerde mijn zus…

De spieren van mijn rechterwijsvinger worden sinds gisteren op de proef gesteld. Dat komt omdat mijn linkerarm, inclusief linkerhand, zowat onbruikbaar is geworden. ”t is gebroken’, vertelde de mooiste dokteres van imelda me, nadat ze de röntgenfoto’s van mijn quasimodoschouder duchtig had bestudeerd. Er verscheen een pruillip op mijn gezicht en een groot kruis over mijn vakantieplannen. Ik had zin om te stampvoeten als een driejarige, of mijn vingers in mijn oren te steken van Ik wil het niet weten!

 

Gelukkig kon ik me beheersen, en bleef het ziekenhuispersoneel gespaard van mijn infantiele uitbarsting, al had het niet veel gescheeld. Want na drie uur duimen draaien in drie verschillende wachtkamers, begaven mijn stalen zenuwen het … bijna. Toen kwam een verpleegster met het heuglijke nieuws dat ik terug naar huis mocht, al kreeg ik eerst nog een blauwe band om mijn bovenlijf gewikkeld, en een heleboel waarschuwingen à la ‘niet bewegen’, ‘je voorlopig niet wassen’, ‘een poosje thuisblijven‘. Kortom: ‘al wat leuk is laten varen en me toeleggen op lectuur, televisie en een overdosis nachtrust.

 

Inmiddels -zo’n vierentwintig uur later – zie ik het allemaal wat rooskleuriger. Mijn tijdelijke handicap is immers een excuus om urenlang voor de tv te hangen, en naar minder intellectuele programma’s als jim kot deluxe en my super sweet sixteen te staren. En als ik deze bron van entertainement beu ben, schakel ik over op dat andere scherm. Om schaamteloos on-line te winkelen, en computerspellen uit mijn kindertijd te herontdekken. Zowel the sims als rollercoaster tycoon werden vanonder het stof gehaald, op mijn laptop geïnstalleerd én gespeeld. En ook you-tube kent dezer dagen een groot succes. Urbanus en Hans Teeuwen ontpopten zich tot virtuele cliniclowns, en de afleveringen van ‘alles kan beter’ sierden regelmatig mijn beeldscherm.

 

Bovendien verwacht niemand dat ik de afwas doe, of de living opruim. De vrienden en familieleden zijn allemaal ultra-vriendelijk en behulpzaam en mijn gsm ting-dongt om de haverklap, om een ‘veel beterschap’-berichtje aan te kondigen.

 

Enerzijds had ik liever op de onthaaldagen van’t unief gezeten, maar anderszijds heeft ‘de ultieme rust’ ook wel z’n charmes. Al verveelt het wel gauw.. zo’n hele dag op mijn luie kont zitten niksen. Na 3 luttele uurtjes voel ik me een tweede ma flodder, maar dan zonder de rubbereren laarzen, de stinkende sigaar en de overtollige kilo’s.

 

Ik ga maar eens iets doen. Een uitstap naar de krantenwinkel, voor ik vastroest op mijn bureaustoel!

 

-El-

 

 

Feed your head

september 5, 2008

Ik sluit mijn ogen, en plotseling verschijnt er een ouderwetse waterput  voor m’n neus. Verder is er niets. Niets dan een grasgroene omgeving, die mijn dag kleurt, en de frisse lentebries, die me vriendschappelijk omhelst. In een verre uithoek van mijn geheugen schuilt er een vage herinnering. Ik zou water gaan halen voor mezelf en mijn familie, en da’s meteen de reden waarom ik me nabij zo’n waterput bevind.

 

Ik grijp het ruwe touw vast en trek er met mijn volle gewicht aan, om de loodzware emmer omhoog te heisen. En net wanneer de blaren naar mijn handpalmen immigreren, en mijn spieren een allerlaatste inspanning leveren, komt het duivelse ding tevoorschijn. Uit frustratie probeer ik de emmer ettelijke meters ver weg te gooien, maar de zwaartekracht beslist daar anders over. De plastieken cilinder landt zo’n halve meter  verder, en meteen besef ik dat hij helemaal niet met water gevuld is. Nieuwsgierigheid trekt mijn lichaam weer recht, als een marionet, en ik concentreer me op de inhoud van de emmer.

 

Ik merk dat ik bespioneerd word door 2 samengeknepen oogleden, die voorzichtig boven de rand van de emmer uittoornen. Wanneer ik echter oogcontact zoek, duiken de nieuwsgierige pupillen weer weg in hun  veilige cilinderhuisje. Maar mijn anatomische kennis reikt nog net ver genoeg om te veronderstellen dat 2 ogen meestal in 2 oogkassen wonen, en dat deze kijkers tot een lichaam behoren, dat zich hoogstwaarschijnlijk in de emmer had gewurmd, om een -voorlopig nog- onbekende reden.

 

En ja hoor, ik heb het bij ’t rechte eind, want even later kronkelen er achtereenvolgens twee armen en twee benen naar buiten. Langzaam maar zeker komt het mystieke wezentje tevoorschijn. Als een duivel in een doosje..wilde ik bijna zeggen, maar dan wel een seniel exemplaar, die de bal volledig misslaat en niemand doet schrikken met zijn veel-te-trage reactievermogen. Al heeft hij wel wat gemeen met lucifer en consoorten, want het ‘beestje’ in kwestie heeft zijn uiterlijk ook niet echt mee. Hij lijkt op een reptielachtige, met een vale groene teint en een bobbelige structuur, alsof zijn huid uitsluitend uit eksterogen en wratten bestaat. Verder beschikt hij over rasechte haviksogen, die mij viseren en keuren. ‘Is ze eetbaar of niet?’

 

Maar tegen alle verwachtigen in, peuzelt het kleine monstertje me niet op, en hij bliksemt me ook niet dood met zijn antipathieke blik. Integendeel, hij vertelt me in geuren en kleuren over zijn bazinnetje Vrouw Holle. Deze gezellige sprookjesbomma kroonde hem namenlijk tot persoonlijk huisdier, en hij mag zo nu en dan een handje toesteken, wanneer ze het druk heeft. Zoals nu. Want Vrouw Holle heeft al haar kostbare tijd nodig om haar gloednieuwe confituurrecept op punt te stellen. Iets met Aardbessen en Mélango’s en een heeeeleboel Cubaanse kruiden…

 

‘Je mag één wens doen’, sprak hij, nadat hij zijn verleden uit de doeken had gedaan. Zijn haviksogen glinsterden van pure triomf, totdat hij besefte dat hij iets vergat. Licht blozend om dit schoonheidsfoutje voegde hij er aan toe: ‘Ohja, je mag niet wensen dat je alles ter wereld mag wensen’.

 

En nu wil het gelukkige toeval dat ik slechts één duidelijk geformuleerde wens kan bedenken, die met kop en schouders boven de andere denkbare wensen steekt.

 

‘Ik wil dat HIJ me belt, en liefst zo snel mogelijk!’ roep ik uit.

‘SSSSSSSSSSSSSsssssssssssssssst’ , fluistert hij schreeuwend. ‘Je mag je wens niet luidop zeggen, want dan komt ‘ie niet uit!’

 

En zo kom ik te weten waarom mijn gsm zo verdacht stilletjes is deze avond…

 

-El-